Rechtskundig
Ondernemingsrecht

Selectieve betalingen voor faillissement: wanneer is de bestuurder persoonlijk aansprakelijk?

door Redactie Rechtskundig ·9 juli 2026

Selectieve betalingen voor faillissement maakten een bestuurder persoonlijk aansprakelijk voor ruim 15.000 euro, oordeelde de rechtbank. De curator wilde de bestuurder eerst laten opdraaien voor het hele faillissementstekort wegens onbehoorlijk bestuur, maar die grote claim sneuvelde. Wat de bestuurder uiteindelijk wel de das om deed, waren de betalingen die hij nog deed aan zichzelf en aan zijn eigen vennootschappen toen het faillissement al onafwendbaar was.

Wat er speelde

Een onderneming verkocht een verstelbaar tafelonderstel dat wiebelende tafels in de horeca moest tegengaan. De techniek was veelbelovend, maar de verkoop kwam niet van de grond. Het bedrijf leed jaar na jaar verlies en draaide grotendeels op leningen. Een deel van die leningen kwam van de bestuurder zelf en van vennootschappen die bij hem hoorden.

Toen de problemen bleven, ontstond ruzie tussen de aandeelhouders over de oplossing. De een wilde meer verkopen, de ander vooral snijden in de kosten. Op 9 januari 2024 mailde de bestuurder aan de aandeelhouders dat er niets anders op zat dan het faillissement aan te vragen. Kort daarna vroeg een schuldeiser, een onbetaalde medewerker, het faillissement aan. In februari 2024 ging het bedrijf failliet.

De curator stapte naar de rechter. Hij vond dat de bestuurder zo slecht had bestuurd dat hij het hele tekort in het faillissement moest betalen. Dat tekort liep volgens de beslagen op tot honderdduizenden euro's.

Waarom de grote claim mislukte

De curator baseerde zijn hoofdvordering op de regel dat een bestuurder bij faillissement het hele tekort kan moeten betalen als hij zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld (artikel 2:248 BW). De rechtbank legde uit dat daarvoor een stevige drempel geldt. Ondernemen brengt nu eenmaal risico's mee. Een verkeerd uitgepakte keuze of een fout is niet genoeg. Het moet gaan om handelen dat geen enkele redelijk denkende bestuurder onder dezelfde omstandigheden zou hebben gedaan.

Volgens de rechtbank kwam de curator niet in de buurt van die drempel. Verlies lijden en te weinig omzet halen is op zichzelf geen onbehoorlijk bestuur. De gemaakte kosten, zoals personeel, huisvesting en verzekeringen, waren gewone kosten van een startende onderneming. De financiering met een rente van 6 procent en een pandrecht als zekerheid noemde de rechtbank marktconform voor een risicovolle start-up. De curator had niet concreet gemaakt welke beslissing dan precies fout was. Wie de bewijslast draagt en zijn verhaal niet onderbouwt, komt niet eens toe aan bewijs. De grote claim werd afgewezen.

Waar de bestuurder wel op werd gepakt

De curator had ook een andere grond aangevoerd: betalingen die de onderneming nog deed vlak voor het faillissement, terwijl die betalingen vooral terechtkwamen bij de bestuurder zelf en bij aan hem verbonden bedrijven. Dit heet in de praktijk een Peeters/Gatzen-vordering, een claim namens alle schuldeisers samen.

De rechtbank legde het uit. Een bestuurder mag in principe zelf kiezen welke schuldeiser hij betaalt. Maar zodra een faillissement redelijkerwijs te verwachten is, ligt dat anders. Wie vanaf dat moment vooral betaalt aan zichzelf of aan eigen bedrijven, benadeelt de andere schuldeisers. Dat is in beginsel onrechtmatig en levert een persoonlijk ernstig verwijt op.

De kern zat in de datum. De rechtbank koos 9 januari 2024 als peildatum, de dag waarop de bestuurder zelf mailde dat het faillissement onafwendbaar was. Betalingen van vóór die datum bleven buiten schot, want toen werd nog geprobeerd het bedrijf te redden. Maar voor de betalingen op en na 9 januari, in totaal 15.039,95 euro, die naar de bestuurder en zijn vennootschappen gingen, draaide hij persoonlijk op. Omdat het om indirecte bestuurders via een keten van vennootschappen ging, werden zij hoofdelijk veroordeeld. Hoofdelijk betekent dat de curator het hele bedrag bij ieder van hen kan opeisen.

De auto en de boekhoudkundige trucs

De curator probeerde ook nog een autodeal terug te draaien. De bestuurder had een bedrijfsauto privé overgenomen voor 8.200 euro, terwijl het bedrijf die kort daarvoor voor 14.500 euro had gekocht. De curator vermoedde dat de taxatie niet klopte. Toch wees de rechtbank dit af. Er lag een taxatierapport van een onafhankelijke garage, en de curator zette daar alleen een vermoeden tegenover. Een vermoeden is geen bewijs van benadeling.

Wat deze zaak laat zien

Deze uitspraak laat zien dat een curator niet zomaar het hele faillissementstekort op een bestuurder kan afwentelen. Verlies, tegenslag en een mislukt product zijn nog geen wanbestuur, zeker niet bij een start-up. De rechter geeft de ondernemer hier het voordeel van de twijfel.

Tegelijk laat de zaak zien waar het wel misgaat. De bestuurder werd niet afgerekend op hoe hij het bedrijf had gerund, maar op wat hij deed toen het einde in zicht was. Het moment waarop een faillissement redelijkerwijs te verwachten is, blijkt een scharnierpunt. Vanaf dat moment kun je als bestuurder niet meer rustig eigen bedrijven en jezelf voortrekken boven de andere schuldeisers. Opvallend is dat de bestuurder die peildatum hier in feite zelf had vastgelegd, met een eigen e-mail.

Deze tekst is bedoeld als algemene informatie en niet als juridisch advies. Heb je zelf te maken met een faillissement of met aansprakelijkheid als bestuurder? Leg je situatie dan voor aan een advocaat of jurist. De volledige uitspraak is te lezen onder bronvermelding ECLI:NL:RBLIM:2026:5465.

Dit artikel vat een openbare uitspraak samen en is geen juridisch advies. Voor jouw eigen situatie kun je het beste een advocaat raadplegen. Bron: ECLI:NL:RBLIM:2026:5465 (rechtspraak.nl).